In augustus 2019 heeft Hollandia archeologen een archeologisch onderzoek uitgevoerd aan Havenstraat 22 in Monnickendam. De aanleiding voor het archeologisch onderzoek wordt gevormd door de geplande uitbreidt de helling aan van een scheepwerf. Aan de straatzijde wordt de hellingbak met circa 5 meter vergroot. De vindplaats ligt binnen de historische kern van Monnickendam die wordt begrensd door de 16de eeuwse stadsmuur. Dit gebied heeft een zeer hoge archeologische waarde. Uit het onderhavig archeologisch en historisch onderzoek is eveneens naar voren gekomen dat, aan de hand van het kaartmateriaal, blijkt dat in de 17de eeuw een stuk land gewonnen werd door een deel van de waterkant aan te plempen. De aanplempingslagen bestonden uit humusrijke klei en zand met puin en een zandlaag met veel kalkbrokken of mortel.
Na de landwinning worden er aan de westkant van het plangebied drie panden gebouwd. Het vondstmateriaal bestaat uit de kelders en een tonput, behorende tot de huizen, dateerde uit de 17de-18de eeuw. In het oosten werd aan de kade een nieuwe scheepshelling opgericht. Deze werd vanaf de 17de eeuw in gebruik genomen.
In de laatste helft van de 18de eeuw werden de huizen waarschijnlijk gesloopt. Hoogstwaarschijnlijk had dit te maken met de uitbreiding van de scheepswerf en de daarop liggende helling.

Afbeelding 1 en 2. Twee polychrome tegeltjes met een bloemstuk en enkele (water)vogels (ca. 1600-1600, Delft).
De werkwijze en de vondsten
Tijdens het onderzoek is het gehele oppervlak van de nieuwe hellingsbak ontgraven. De bodemopbouw is tijdens het archeologisch onderzoek op verschillende plekken gedocumenteerd.
Omdat er vlaksgewijs is aangelegd is het bodemprofiel, naarmate de werkput werd uitgegraven, per vlak aangevuld. Het profiel bestaat uit een laag rijplaten met daaronder een bouwvoor van opgebracht zand. Hieronder is een 20 cm dikke schelplaag met daar onder grijs zand aangetroffen. In het noordelijke deel duiken deze lagen net als twee puinlagen waar de meeste vondsten uitkomen. Onder de plavuizen vloer zijn verschillende ophogingslagen blootgelegd.
Tussen de +0,10 en -0,30 m NAP zijn een aantal mestlagen en zandlensjes waargenomen. Hieronder bevonden twee (zandige) kleilagenmet puin- en baksteenresten. Vanaf -0,50 tot -1,00 m NAP vormden meerdere humeuze kleilagen met veenbrokken en aardewerk. Het kleipakket wordt afgesloten met een donkerbruine zandige kleilaag op een diepte van 1,00 en 1,50 m -NAP. Door het duiken van de lagen is er een aanzienlijk hoogte verschil. Ter hoogte van vlak 3 en 4 begint een ophoogpakket met rietmatten (S40) en plaggenlagen. Tussen deze bodemlagen zijn nog een aantal kleiige ophogingslagen met plantenresten en veen aangetroffen. In deze onderste bodemlaag is (vanaf -1,50 m NAP) ook nog aardewerk verzameld. Het pakket vanaf de rietmatten behoort waarschijnlijk tot de oudste aanplemping van Monnickendam.
Uit het onderzoek van het voor- en achterrein van de scheepsloods is gebleken dat de locatie vanaf de 16de eeuw als scheepshelling in gebruik geweest. In de loop van de 17de eeuw wordt het perceel uitgebreid door land te winnen. Er wordt een houten beschoeiingen langs de rand van het perceel geplaatst waarna aanplempingslagen in meerdere fases zijn gestort. De verschuiving en landaanwinning van het terrein is zichtbaar in de overzichtskaart van de sporen uit het onderzoek in 2012. Hierbij zijn de archeologische sporen grofweg verdeeld
in een fase uit de vroege 17de eeuw en een fase in de late 17de begin 18de eeuw.
Het is duidelijk dat de archeologische sporen van vlak 1 en 2 uit het onderzoek van 2019 aansluiten of de funderingelementen die zijn aangetroffen op het achterterrein. De twee hellingsbakken hebben het pand als het ware door midden gehakt.
In de hellingsbak kunnen meerdere bebouwingsfases ontleent worden uit de archeologische sporen. Een aantal funderingsmuren zijn namelijk koud op elkaar aangelegd. Deze gebouwen stammen uit de 17de eeuw en zijn in de 18de of 19de eeuw afgebroken, hoogstwaarschijnlijk voor een tweede of derde uitbreiding van de scheepshelling. Deze gebouwen zijn in de 18de of 19de eeuw afgebroken, hoogstwaarschijnlijk voor de uitbreiding van de scheepshelling. Waarschijnlijk is bij de bouw van de huidige loods en aanleg van de voorgaande betonnen helling een deel van het oppervlak afgegraven, waardoor een deel van archeologische sporen en vondsten verdwenen zijn.
Al voor 1950 werd een loods (een veel kleinere versie van wat er heden ten dage staat) gebouwd binnen het plangebied. De loods is midden jaren 50 van de 20ste eeuw afgebrand waarna de huidige loods is neergezet.
Deze loods is inmiddels al twee keer verlengd en twee keer verhoogd.
Afbeelding 3 en 4. Links: een roodbakkende grape (V7, r-gra-19, 1525-1675). Rechts: een bijna compleet porseleine schaaltje uit de Wanli periode (p-kom- 1572-1620).
Aardewerk en bouwmateriaal
Van het teruggevonden materiaal is 41% roodbakkend aardewerk. De looptijd van roodbakkend aardewerk begint, tegelijk met grijsbakkend aardewerk, in het begin van de 14de eeuw en loopt door tot in de 19de eeuw. Roodbakkend aardewerk moet doorgaans gezien worden als lokaal vervaardigd aardewerk. Vanaf de late middeleeuwen tot ver in de 17de eeuw huisvestten vele grote plaatsen hun eigen pottenbakkers voor productie van roodbakkend aardewerk. Deze pottenbakkers produceerde vooral voor de stedelijke markt en via handelaren
raakte het verspreid over het platteland. De meeste voorwerpen zijn onversierd maar ook versierde artefacten komen voor zoals borden, kommen en koppen met slibversiering. Deze versiering wordt ook wel Noord-Hollandse slibversiering en gemarmerd aardewerk genoemd. Noord-Hollandse slibversiering had een bloeiperiode tussen 1575-1628, maar blijft daarna nog in zwang. De gemarmerde versiering werd geproduceerd vanaf 1675 tot 1900 en was voornamelijk populair tussen 1700-1800.
Porselein wordt vanaf de late middeleeuwen geïmporteerd vanuit Azië naar Nederland. Het betreft uitzonderlijke voorwerpen die alleen door de elite kon worden aangeschaft. Vanaf de vroege 16e eeuw veranderde dit geleidelijk toen de handelscontacten met Azië zich uitbreidden. Vanaf 1750 wordt ook in Europa porselein vervaardigd. Porselein betreft voornamelijk de functiegroep bereiding- en tafelgerei. In totaal zijn er 3 fragmenten van porselein gevonden in het onderzoeksgebied. De fragmenten behoren bij schaaltjes en kopjes en de herkomst is grotendeels uit China. Van de totale aardewerkassemblage beslaat porselein slechts 1 %. Enkele vondsten die zijn gedaan is een kopje van het zogenaamde ‘Batavian brown’ ofwel capucijner porselein (1650-1800). Daarnaast is een vroeg exemplaar Wanli porselein verzameld (1572-1620, zie afbeelding 3).
Afbeelding 5 en 6. Rechts: een fragment van ‘Tudor mug’ uit Keulen (V10, s2-kan, 1525-1550). Links: Het fragment van het Spaanse majolica bord met goudluster versiering (V28, 1425-1550).
In totaal zijn er 33 fragmenten verzameld van roodbakkende en faience tegels met een gezamenlijk gewicht van 3173 gram. Hieruit zijn minimaal 17 individuen te onderscheiden.
Het assemblage bestond zowel uit tegels met een monochrome als een polychrome versiering (zie afbeelding 1 en 2). De polychrome versierde tegels hadden een fruitmotief met randdecoratie als verschillende afbeeldingen van eenden en vogels. De monochrome tegels bestonden uit blauwwitte of paarswitte tegels. De paarswitte tegels waren versierd met ruiten waarvan het glazuur was besprenkeld. De blauwwitte tegels hadden verschillende voorstellingen.
Op de rand was vaak een hoekdecor aanwezig, waaronder de ossenkop, de lelie en de spin. Op sommige fragmenten was de centrale voorstelling nog (deels) zichtbaar. Zo waren er tegels met een herder, een mannetje met opgeheven arm, een Bijbelvoorstelling en meerdere landschappen. Enkele tegels waren nagenoeg compleet. De afmetingen waren 13 x 13 x 0,8 cm (Korf 1979).
Als laatst majolica, faience en steengoed. Majolica en faience is tinglazuuraardewerk dat oorspronkelijk (voornamelijk) uit Italië en het Iberische schiereiland afkomstig is. Echter vanaf de tweede helft van de 16de eeuw wordt majolica, en later faience, ook in de Nederlanden vervaardigd. Majolica en faience zijn vooral gebruikt als tafelwaar en de ateliers hielden zorgvuldig de mode en decoratievoorkeur in de gaten. Majolica was begin 16de eeuw een luxeproduct dat aan het eind van de 16de eeuw breder werd verspreid. Na de opkomst van faience in de 17de eeuw verloor majolica zijn luxe status geheel. Het materiaal van de scheepshelling valt bijna geheel in de functiegroep bereiding- en tafelgerei. De meeste fragmenten behoren tot borden, kommen en koppen.
Daarnaast is een zalfpotje herkend dat behoort tot de functiegroep persoonlijke hygiëne en verzorging. Een uiterst zeldzame vondst is een fragment van een majolica bord dat ook wel ‘goudluster’ aardewerk wordt genoemd (zie afbeelding 5). Dit type aardewerk is vervaardigd in Spanje en is te dateren van 1425-1650. Het bord heeft een goudwitte rand met Moorse inscripties. Het is eveneens hoogwaardig en luxueus aardewerk dat vooral in het noordwesten van Nederland is aangetroffen.
In de loop van de 13de eeuw zijn pottenbakkers, in onder andere het Duitse Rijngebied, in staat hun producten op steeds hogere temperaturen te bakken waarbij een toenemende mate van versintering van het aardewerk kan plaatsvinden. Uiteindelijk zou dit leiden tot de introductie van zogenaamd steengoed, een aardewerksoort, die dusdanig versinterd is dat geen afzonderlijke kleikorrels of magering meer waarneembaar zijn. In de 13de eeuw is de ontwikkeling van steengoed in volle gang, maar zijn de pottenbakkers nog niet in staat om aardewerk te produceren dat volledig versinterd is. Het steengoed uit deze periode wordt daarom proto-steengoed of bijna-steengoed genoemd en is te herkennen aan de magering, die nog steeds zichtbaar en voelbaar is. Vanaf het begin van de 14de eeuw wordt volledig versinterd steengoed geproduceerd. Het steengoed dat tijdens het onderzoek gevonden is, komt uit Siegburg, Aken, en Keulen/Raeren en besloeg 19% van het totaal aantal gevonden scherven. Het behoort waarschijnlijk geheel tot de functiegroep schenkgerei. Een speciale vondst is een fragment van een zogenaamde ‘Tudor mug’ uit Keulen die is te dateren tussen 1525-1550 (zie abeelding 6). Deze bekers zijn hoogwaardig geproduceerd met rondom bloem- en bladversieringen.
Afbeelding 8 t/m 10. Links: De rechterkant van een tondeksel (V36 datering ~16de eeuw. Onder: Een (laat)middeleeuwse visnetverzwaarder (V3, 1200-1900). Rechts: Een houtmonster met twee nagels onderdeel van een (laat)middeleeuwse bewerkte vaarboom (V21F). Onder:
Hout- en leervondsten
In totaal zijn er 21 houten voorwerpen in het veld verzameld voor eventueel aanvullend onderzoek. Het betreft resten van palen, beschoeiingen en planken. Een aantal van deze voorwerpen hebben bewerkingssporen (V22). Deze bewerkingssporen zijn o.a. aangetroffen nagels in het hout en hergebruikt hout van schepen (zie afbeelding 8). De bewerkingssporen duiden erop dat het hout is hergebruikt. Het komt vaker voor in stedelijke gebieden dat
scheepshout wordt hergebruikt in beschoeiingen en aanplemingen. Er is bijvoorbeeld een bewerkte vaarboom aangetroffen in de hellingswand. Ook is een tondeksel gevonden. Hierop zijn echter geen merktekens waargenomen.
Om de houtresten goed te kunnen dateren zijn een aantal fragmenten dendrochronologisch onderzocht. De houtmonsters hebben een dateringen tussen het begin van de 14de tot en met het einde van de 16de eeuw. De kapdatum dateert eind 15de- begin 16de eeuw. Het hout, bestaande uit eik en grenen, is afkomstig uit de Balitische staten (eik), Zweden (eik) en zuidwest-Duitsland (waldkiefer/grenen). Al vanaf de 15de eeuw werd de lucratieve handel is het Oostzeegebied opgedreven. De handel is vooral graan, maar ook hout en zout, wordt vaak omschreven als de ‘moeder der alle handel’ oftwel ‘Moedernegotie’ en vormde de basis van de Gouden Eeuw die daarop volgden. Nadat het hout werd gebruikt voor de scheepsbouw kon het nog decennia duren voordat het werd hergebruikt voor landaanplemping. Daarbij moet ook de gemiddelde omlooptijd van een schip worden meegenomen. In de 15de-16de eeuw bedroeg dat gemiddeld zo’n 15 jaar. Het is daarom met enige zekerheid te stellen dat de oudste funderingen van de bewoningsfases dateren vanaf de tweede helft van de 16de eeuw. Het hout is daarmee 50-100 jaar ouder dan het hout dat onderzocht voor het voorste deel van de scheepshelling
(Hoogendijk & Sonders 2012). Enkele planken en dwarsbalken die zijn verzameld van de scheepshelling dateren begin 16de tot en met de eerste helft van de 17de eeuw. Een houten tonput die in het vlak was aangetroffen dateert tussen 1625-1665 (van Daalen 2011). De fasering in de scheepshellingen aan de voor- en achterzijde van de Havenstraat is daarmee ook zichtbaar in de dateringen van het funderings- en scheepshout.
Er zijn 26 fragmenten leer verzameld tijdens het archeologisch onderzoek. Het betreft meerdere resten van schoenzolen, waaronder een bijna twee complete schoenzolen met stiksels (V17, afbeelding 12). Zolen zijn vaak oververtegenwoordigd in archeologische vondstcomplexen in verhouding met overschoenen. Dit komt doordat de zolen door hun dikte minder snel vergaan.
De bovengenoemde schoen heeft een lengte van 23,1 cm en een breedte van 12,2 cm. De stikselrand was gedeeltelijk aanwezig waardoor de originele vorm van de schoenzool grotendeels is vast te stellen. Aan de onderzijde was nog een verdikking aanwezig van de hak van de schoen. De schoen behoort tot het type 27, met een bredere zool met amper een vernauwing. (Goublitz, 82, type 27). Dit type schoen dateert vanaf de 18de eeuw.
De tweede schoen bestond uit meerdere losse gedeeltes van de zool, hak en stikselranden. Het fragment was 22,4 x 7,8 cm en had een rechthoekige neus. De zool is langer en smaller en wijkt daarmee af van de eerste schoen. Deze schoen behoort tot het vormtype 25 of 28.
Beiden vormtypes hebben een rechthoekige neus en een smallere zool. De schoen dateert eveneens uit de 18e eeuw (Goubitz 20, 82). Naast de twee complete schoenen zijn enkele kleine fragmenten van zolen gevonden met stikselranden. De overige zolen zijn wat groter van maat en enkele zijn waarschijnlijk onderdeel geweest van ‘mule’ of slipper waarbij alleen het voorste gedeelte van de voet is bedekt (V25). Een aantal leerfragmenten dat aan de bovenzijde om de voet werd vastgemaakt is verzameld tijdens het archeologisch onderzoek. Een zool van kurk vaak werd toegevoegd voor extra stevigheid is niet aangetroffen. Een duidelijke type kan niet worden achterhaald, echter worden deze slippers over het algemeen tot type 105 gedefineerd (Goubitz, 2012, 243-245). Dit vormtype is in Nederland al bekend vanaf de 14de eeuw.
Afbeelding 12. Een bijna complete schoen met zool en stikselranden (V17, schoentype (type
27, 18de eeuw, Goubitz, 2011, 82)