Voorafgaand aan dit proefsleuvenonderzoek
De aanleiding van het onderzoek was de vondst van menselijke beenderen in het weiland aan de voet van de Slaperdijk. Na het weekeinde van 26 en 27 februari 2016 werden er gaten in het gras aangetroffen met opgespitte menselijke beenderen die aan het oppervlak lagen. Onbekende personen hadden hier gezocht met metaaldetectoren. Van de vondsten werd bij de gemeente Bergen melding gemaakt door leden van van stichting RAG1. De eigenaar van de grond, de Provincie Noord-Holland, werd ingelicht en gaf opdracht om een grondige inspectie uit te voeren en vervolgens ook een proefsleuvenonderzoek te verrichten om de omvang van de geïmproviseerde begraafplaats te bepalen. Op 1 maart 2016 werd door Hollandia archeologen de locatie onderzocht waarbij de gegraven gaten werden ingemeten en de omgewoelde grond werd geïnspecteerd. De vondsten werden geborgen. De vondsten bestonden uit gebroken menselijke botten en metaal en leer afkomstig van de uitrusting van soldaten uit 1799 van het franse leger.

Afbeelding 1 . De tegenaanval van 10 september 1799. Bij het rode doodshoofdje is de plaats waar de 42e Halve Brigade moest oprukken en waar ook de skeletresten werden gevonden, in de polder tegen de Oude Schoorlse Zeedijk, tussen Petten, Kamperduin en Groet. De kaart is uit 1799 van het ‘Departement van Texel’ van de Bataafse Republiek (door: Mortier, Covens en Zn. Amsterdam)

De politieke situatie in 1799
In het jaar 1795 was de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën de Bataafsche Republiek geworden. Dit was naar voorbeeld van, en met militaire steun van de Franse Republiek. Zij waren nu bondgenoten. Erfstadhouder Willem V was gevlucht naar Engeland. In werkelijkheid was de Bataafse Republiek een vazalstaat van de Franse Republiek en er werden tientallen miljoenen guldens betaald voor de in Nederland gestationeerde troepen. In de zomer van 1799 woedde er strijd op verscheidene fronten in Zuid- en Oost-Europa. Eerder dat jaar was er weer een nieuwe oorlog uitgebroken, de 2e Coalitieoorlog, aangevoerd door Engeland, de aartsvijand van de Franse Republiek. De coalitie, met als machtigste landen Engeland, Oostenrijk en als nieuw lid, Rusland, nam het op tegen het militair machtigste land van dat moment, dat vanaf 1799 volledig bestuurd werd door Napoleon Bonaparte. In feite was er in heel Europa sprake van een polarisatie tussen patriottisme en monarchie, verdeeld in twee kampen: republikeinen en royalisten. In het Britse koninkrijk keek men machteloos toe hoe Nederland werd meegesleept in het kielzog van de Franse revolutie. Zij zouden het liefst de naar Engeland gevluchte stadhouder Willem V terug op zijn troon zien, maar dan wel gesteund door de Nederlandse bevolking. Daarom werd een invasie overwogen in de Nederlanden met (voor het eerst) steun van het Russische leger. De Britten hoopten de Nederlanden voor hun coalitie te winnen. Het plan was het veroveren van enkele Nederlandse steden door het Brits – Russische leger, met de steun van Nederlandse militante royalisten en met de stadhouder voorop, te arriveren in Den Haag, en daarmee hoopten ze de gehele Nederlandse bevolking mee te krijgen.
Uiteindelijk heeft de hele oorlog maar 44 dagen geduurd en kostte tussen de 15.000 en 20.000 levens van soldaten. En vonden er na deze veldslag om de Zijpe nog drie grote veldslagen plaats in Noord-Holland: de Slag bij Bergen (19 september), de Slag bij Alkmaar (2/3 oktober) en de “beslissende” Slag bij Castricum (6 oktober) die werd gevolgd door capitulatie van de geallieerden.

Afbeelding 2 en 3. Links: General de Division Dominique-Joseph René van Damme, die de aanval op de Oude Schoorlse Zeedijk leidde, de linkerflank van de aanval van die dag. Dit was de aanval van de Fransen waar de 42e en de 46e Demi-Brigade deel van uit maakte. Rechts: Franse infantristen in aanval (Dirk Langendijk 1748 – 1805).

Het eerste offensief: De Slag om Krabbendam 
De invasie volgde op 27 augustus 1799. De Britten landden op het strand bij Callantsoog. Vervolgens trokken ze naar het noorden en namen een dag later Den Helder in, het “Gibraltar van het noorden” zoals Napoleon het zelf noemde, en de Engelsen hadden zo een bruggenhoofd vanuit zee voor de aanvoer van troepen en voorraden.
De Schoorlse- en Westfriese Zeedijk werd door hen gebruikt als verdedigingslinie om de kop van Noord-Holland te verdedigen tegen aanvallen uit het zuiden. Een dijk als deze vormde een natuurlijke verdedigingswal waarachter de Engelsen zich konden verschansen, hetgeen in deze oorlog tot twee keer toe zeer effectief bleek. De Nederlandse (Bataafse) en Franse verdediging onder bevel van de Franse generaal Guillaume Marie Anne Brune bestond uit 3 divisies. Een Franse divisie was gestationeerd in Zeeland, een Bataafse divisie in Leeuwarden en een Bataafse divisie in Haarlem. Deze laatste divisie onder leiding van Herman Daendels was verantwoordelijk voor de verdediging van de kust en had het reeds zwaar te verduren gehad op de dag van de invasie. Enkele dagen vóór dit eerste offensief op 10 september waren de Franse troepen onder leiding van generaal Vandamme reeds gearriveerd. De Russische troepen waren nog niet in Den Helder en zouden de dag na deze slag aankomen. De linker vleugel van de aanval was op de lijn Petten – Oude Schoorlse Zeedijk – Krabbendam, de aanval van de zgn. “Franse Kolonne”.
De aanval werd ingezet om 3 uur ‘s nachts op 10 september. De Fransen hadden draagbare bruggen bij zich om snel de sloten tussen de Dromerdijk en Slaperdijk over te steken. De voorhoede van de linkervleugel werd aangevoerd door de Franse adjunct-generaal Claude Rostollant en viel aan langs de duinstrook. De rechtervleugel onder leiding van Generaal Dumonceau viel aan bij Krabbendam. Het centrum werd geleid door generaal Vandamme zelf. De Franse soldaten die bij dit onderzoek werden opgegraven maakten deel uit van deze
bloedige aanval vanuit het centrum op de Schoorlse Zeedijk bij de Slaperdijk.
De kolonnes liepen via de Hargerweg richting de Groeter molen maar een belemmering vormde de vaart langs de Schoorlse Zeedijk. De Fransen hadden verwacht dat deze doorwaadbaar was, hetgeen niet zo bleek te zijn. Tientallen grenadiers trachtten de vaart zwemmend over te steken terwijl leden van hun bataljon dekking probeerden te geven met musketvuur. Toch verdronken er een dertigtal en een aantal raakten gewond of stierven
door Britse bajonetten. De Fransen stonden tegenover twee Engelse brigades die werden geleid door generaal-majoor Harry Burrard. Dezen stonden achter de Zijperdijk en het uiteinde van de Slaperdijk opgesteld. De Franse generaal Vandamme kwam ondertussen vanuit Camperduin en Groet met twee bataljons (de 42e en 45e Halve Brigade) over de Slaperdijk gemarcheerd. Het plan van Brune was om de rechtervleugel van de Britten aan
te vallen vanaf het zuiden richting Petten en startend vanuit Schoorl door Vandamme. In de voorhoede raakte generaal David gewond door een snaphaan-schot in de hals en viel bewusteloos neer. Een korporaal en twee soldaten van de 42e Halve Brigade namen generaal David op de schouders om hem te onttrekken van de Engelse aanval. Maar een kogel trof de korporaal in de borst en verwoeste een arm van generaal David die enige tijd later stierf.
De Fransen vielen de Engelsen tien keer aan wat telkens werd afgeslagen door de Engelsen. Volgens de Franse adjudant-generaal Dardenne resulteerde de strijd in 789 Franse doden en gewonden. Van het 3de Bataljon van de 42ste Halve Brigade stierven 400 man of raakten gewond. Behalve generaal David sneuvelden onder de Fransen 3 officieren en 36 soldaten. Gewond waren 36 officieren, 713 soldaten en 327 gevangenen.13 De gevangenen zijn bij de berekening van Dardenne niet meegerekend. De Engelsen verloren veel minder soldaten: 34 doden, 125 gewonden en 18 gevangenen. Onder de geblesseerden waren generaalmajoor Moore, luitenant-kolonel Smith en tien officieren.

Afbeelding 4. De concentraties skeletmateriaal spoor 1 en spoor 2. In spoor 2 zijn de twee individuen in twee verschillende tinten oranje afgebeeld. Het hier afgebeelde deel van de opgraving bevond zich in het midden van de opgraving.

Sporen en structuren

Zoals werd beschreven in de inleiding werden de resten van de soldaten gevonden en bedreigd door mensen die op zoek waren met metaaldetectoren. De resten waren van soldaten van de 42e halve brigade van het Franse leger die deel uit maakten van de Divisie Vandamme. Het cijfer ‘42’ was zichtbaar op knopen die werden aangetroffen hetgeen het mogelijk maakte snel te bepalen tot welke legereenheid de soldaten behoorden. Volgens de geldende voorschriften van de uitmonstering bij de Bataafse en de Franse legers van 1795 tot 1805 moesten de knopen van de infanterie uniformen zijn voorzien van het nummer van de halve brigades. Hierdoor was het duidelijk dat hier soldaten van deze eenheid lagen begraven. Er werden op twee plaatsen skeletmateriaal aangetroffen binnen de werkputten 1 en 8.

Tussen de skeletresten werden ook objecten gevonden die behoorden tot de uniformen van de soldaten. Er werden geen sporen van grafkisten gevonden en de grafkuil was in de kleigrond ook niet meer herkenbaar. De eerste concentratie botten bestond uitsluitend uit losse en gebroken stukken. Dit was de plaats waar in februari 2016 gaten in de grond werden aangetroffen als gevolg van schatgraverij. De gebroken botten lagen naast de kuilen. De skeletten waren door deze schepsteken danig beschadigd. De botten lagen niet meer in anatomisch verband en waren voor een groot deel gebroken of beschadigd. Slechts enkele elementen van de skeletten lagen nog in anatomisch verband.  Er werden ondanks de schatgraverij metaalvondsten aangetroffen op deze plaats. De persoon die er heeft gezocht was niet zeer getraind in het zoeken met een metaaldetector. Uit de botten kon aan de hand van de aanwezige skeletelementen worden afgeleid dat in dit spoor minimaal twee individuen begraven lagen.
De tweede concentratie botten (spoor 2) bevatte wel enkele delen van menselijke skeletten die nog in verband lagen. Het betrof hier met zekerheid twee individuen. Van het eerste individu (1) was nog een deel van de torso, de bovenarmen en het onderlichaam aanwezig, grotendeels in anatomisch verband. Het bovenlichaam van dit individu was verstoord en van de schedel werden geen resten aangetroffen. Op de plaats waar het bovenlichaam zou moeten liggen, was de grond geroerd, de botten waren gebroken en lagen verspreid. Het lichaam werd op de rug begraven met de armen langs de zij. 

Het tweede als lichaam herkenbare deel van een skelet (individu 2) bevatte een deel van een romp, twee delen van bovenarmen, een heup en een heiligbeen. Ofschoon deze laatste twee stukken reeds verplaatst waren, maakten ze wel deel uit van het skelet. Opvallend was dat dit lichaam op de buik was begraven met de rechterarm naast de romp en de linkerpols op de rug gedraaid. Dit laatste was te zien aan het uiteinde van de twee beenderen van de linker onderarm. Deze lagen op de ruggewervels en in anatomisch verband.
De lichamen waren boven op elkaar gestapeld in de grafkuil gelegd. Dit bleek uit het gegeven dat de twee skeletten “bot op bot” lagen, de botten van het eerste individu direct op de botten van het tweede individu. Dit betekent dat de twee lichamen op elkaar zijn gelegd waarna ze afgedekt werden met aarde. Er was kennelijk weinig moeite genomen om de lichamen netjes te begraven. Waarschijnlijk zijn de lichamen zo begraven dat het zo weinig mogelijk tijd en moeite kostte. Dit bleek ook uit het feit dat de graven zeer ondiep waren. Ze lagen slechts 5 tot 15 cm onder het oppervlak. Over de werkelijke diepte van de graven kan echter geen uitspraak worden gedaan omdat het terrein in het recente verleden geëgaliseerd is. Het ontbreken van schedels, op enkele fragmenten na, kan worden verklaard uit het feit dat de schedels van begravingen vrijwel altijd ‘hoger’ liggen dan de rest van het skelet.

Afbeelding 5. Links: een van de best bewaard gebleven knopen van deze vindplaats. De “42” is het nummer van de halve brigade. Op de buitenste ring is de tekst “Republique Francaise” duidelijk zichtbaar. Daarnaast zijn er voorbeelden van uniformknopen van de Franse halve-brigades (Fallou, 1915)

Afbeelding 6. Uniformen van het Franse leger. Links de terminologie van het uniform (5). Een fusilier van een demi-brigade dínfantrie de ligne (6). Rechts: Een ruiter van het 10e régiment de dragons (dragonders) (7) en een Jager van het 4e régiment de chasseurs à cheval (8). Tekening H. van Roo, (in: Zuurbier, Brandsma en Wagenaar)

Vondsten bij de skeletten
Naast en bij het skeletmateriaal werden objecten gevonden die afkomstig waren van uniformen. Al deze vondsten waren van metaal, leer en textiel. Er werden geen andere objecten van de uitrusting van de soldaten gevonden en ook geen wapens of onderdelen daarvan, met uitzondering van musketkogels. De vondsten waren met name veel knopen. In totaal werden er 51 knopen aangetroffen. 37 stuks met een diameter van 19 millimeter en 14 stuks met een diameter van 25 millimeter. Bij de skeletten werden ook andere zaken gevonden die afkomstig waren van uniformen zoals gespen, stukjes textiel en leer, kledinghaakjes, een stukjes van kleine kettingen, en een stukje gevlochten lint. Alle vondsten waren afkomstig van de uniformen, kleding, riemen en bandeliers, zaken die zich op het lichaam bevonden. Van het organische materiaal zoals textiel en leer is alleen iets bewaard gebleven van stukken die tegen metaal aan zaten of er vlak bij; het metaal heeft een conserverende werking op het organische materiaal. Tussen het bot bevond zich ook een musketkogel die mogelijk in een van de lichamen zat op het moment van begraven.
De locatie was op de plaats van de veldslag op een steenworp afstand van de Oude Schoorlse Zeedijk, waarachter de Engelsen zich verschansten, en de haaks hierop gesitueerde Slaperdijk, waarover een deel van het leger moest oprukken. Het is dit zeker een plaats waar hevig is gevochten tijdens de slag, en is het waarschijnlijk dat er nog vele musketkogels verspreid liggen over de percelen.

Vondsten in de overige putten
Het is begrijpelijk dat veel van de metaalvondsten gevonden werden op of naast de skeletten maar het was opvallend dat er ook op enige afstand van de skeletten metalen objecten werden gevonden. Met name bij het aanleggen van de werkputten 1 en 7 kwamen meerdere knopen aan het licht. Dit kan worden verklaard met de egalisaties van het terrein in latere tijden. Op foto’s is ook goed te zien dat er na 1945 egalisatie heeft plaatsgevonden, want het oude slotenpatroon heeft dan plaats gemaakt voor rechte sloten. Waarschijnlijk zijn hierbij graven geraakt en vondsten verspreid geraakt over het land. Omdat de bovengrond die werd afgegraven onderzocht is met een metaaldetector werden de metaalvondsten gevonden. Botmateriaal werd op het oog wel aangetroffen, maar is moeilijk met het oog te identificeren wanneer skeletten niet in anatomisch verband liggen en door de grond vermengd zijn in kleine stukjes. Mogelijk is hier grond van hoger gelegen delen uit de directe omgeving opgebracht. Klaarblijkelijk heeft egalisatie veel schade toegebracht aan deze vindplaats, en waarschijnlijk ook aan andere vindplaatsen in de omgeving.

Afbeelding 7. Enkele van de vondsten waaronder een aantal knopen, gespen, kledinghaken en kettingen waarvan een met een haakje. Op en tegen de metalen objecten bevinden zich nog resten van leer en textiel. Links onderaan resten textiel die zich tegen de knopen aan bevonden.