Uitgevoerd door Tot op het Bot, Fysisch Antropologisch Onderzoeksbureau, door Constance van der Linde

Slachtoffers van de Slag bij Krabbendam, een laatste rustplaats in de Zijpe-polder

In 2016 zijn twee individuen geconstateerd in de Zijpe-Polder. De skeletresten lagen al op ongeveer tien tot twintig centimeter onder maaiveld. Omdat het terrein een aantal keren is geëgaliseerd kan niet worden vastgelegd wat de werkelijke diepte van de begravingen is geweest. Het bot is met uitzondering van de ribben van een goede kwaliteit en dit komt door de kleigrond. Met behulp van een metaaldetector werden enorm veel uniformknopen opgegraven.

Ligging, oriëntatie en anatomische geslachtsbepaling
De skeletten lagen bot-op-bot, waaruit blijkt dat zij tegelijkertijd zijn begraven. De lichamen waren in tegenovergestelde richting begraven. Hoogstwaarschijnlijk zijn de stoffelijke overschotten met het oog op de snelheid van het graven van de grafkuil in tegenovergestelde ligging gedeeltelijk over elkaar neergelegd.
Individu 1 lag in een ongebruikelijke neerwaartse positie, west-oost georiënteerd met de voeten richting het oosten (zie skeletformulier 1). Meestal wordt het lichaam van een overledene op de rug begraven. De neerwaartse houding is met het oog op afscheid nemen oneervol. De linker onderarm had een onnatuurlijke horizontale houding op het linkerschouderblad (scapula) met de linkerhand over de halswervels en op het rechterschouderblad. Het linkerheupbeen (os coxa) en de beide benen lagen gedeeltelijk overde andere overledene heen.
Het onderste skelet (zie skeletformulier 2) lag ruggelings, iets ten noorden van individu 1 en in omgekeerde richting. Individu 2 lag niet recht en de benen lagen uit elkaar. De aangetroffen houdingen toonden aan dat de overledenen snel en niet zorgvuldig zijn begraven. Het onderste individu lag netter in vergelijking met het bovenste individu dat in een neerwaartse positie was gelegd.
Op basis van de beschikbare morfologische kenmerken van de bekkens en de robuustheid van de pijpbeenderen is tijdens de opgraving geconcludeerd dat het om twee mannelijke individuen gaat.

Ex situ bot
Bij de voeten van individu 2 lag een derde linker middenhandsbeen (os metacarpale), mogelijk van individu 1. Tussen de scheenbenen (tibiae) van individu 2 is een fragment van een scheenbeen gevonden dat niet tot individu 2 behoorde. Dit bot heeft een apart vondstnummer gekregen. Bij de uitwerking van het skeletmateriaal zal blijken of dit deel van een scheenbeen bij individu 1 hoort of van een ander individu is geweest.

Botverkleuringen
De twee skeletten hebben groene koperoxide verkleuringen aan de onderzijde van de onderarmen als gevolg van koperoxide van metalen uniformknopen. Het distale uiteinde van de linker bovenarm (humerus) van individu 1 heeft eveneens een botverkleuring. Op dit gedeelte van de bovenarm was tijdens de opgraving een stuk stof aanwezig.

Kledingaccessoires
Op, naast en onder de twee skeletten zijn verschillende koperen knopen aangetroffen waarvan sommige al bij het blootleggen gebroken waren. De metalen knopen met in het midden nummer 42 en het randschrift ‘Republique Francaise’ vormen het bewijs dat het om Franse soldaten gaat van het 3e bataljon van de 42ste Halve-Brigade. Iedere Halve-Brigade had een eigen nummer op de knopen. Bij beide individuen lagen de knopen op dezelfde plaatsen: bij de linkerschouder, aan weerskanten van de wervelkolom, ter hoogte van het bekken (bij het bekken knopen met gelijke afmetingen van circa 18 mm), bij het distale uiteinde van het rechterdijbeen (femur). Bij alle twee de skeletten is een stuk stof ter hoogte van het bekken vastgesteld. Bij de rechterschouder van individu 2 lag een knoop met een staafoog en een ketting en op het rechterheupbeen een messing gesp.

Botafwijkingen
Er zijn geen afwijkingen waargenomen die aantonen wat de doodsoorzaak is geweest. Tijdens de opgraving was wel geconstateerd dat het gefragmenteerde linkerscheenbeen van het individu dat neerwaarts lag, individu 1, behoorlijk scherpe randen heeft (afb. 6). De doorsnede van deze randen heeft gedeeltelijk dezelfde kleur als het omringende bot. Dit lijkt een aanwijzing te zijn dat deze persoon geraakt is door een scherp voorwerp, mogelijk een wapen. De randen zijn echter op bepaalde plekken ook lichter van kleur wat voor die delen op een beschadiging na de dood wijst. Tijdens de opgraving werd gedacht aan een chirurgische handeling maar dit blijkt niet het geval te zijn.
Bij individu 2 heeft de voorzijde van de derde lendenwervel een holte. Onduidelijk is of deze botafwijking door trauma is ontstaan. De twee wervelkolommen van beide individuen uit werkput 1 hebben behoorlijke impressies in de onderrug, zogeheten Noduli van Schmorl. Met name bij de negende borstwervel tot en met de vijfde lendenwervel zijn ze duidelijk zichtbaar. Deze impressies waren al vastgesteld ten tijde van de opgraving. Noduli van Schmorl ontstaan door degeneratie van de tussenwervelschijf en komt vaak voor bij mensen die zware lichamelijke inspanning beoefenen zoals soldaten.
Het rechtersleutelbeen van individu 1 heeft aan de kant van het borstbeen een groeve. Dit is niet waargenomen bij het linkersleutelbeen. De exacte etiologie van de groeve is onbekend, maar de groeve kan in ieder geval verergerd worden door krachtinspanningen van de schoudergordel of van de arm of hand. Dit is eveneens vastgesteld in het rechtersleutelbeen van een individu die in een kuil in Groote Keeten is aangetroffen, een slachtoffer van het Bataafse leger die was omgekomen bij de Slag van Groote Keeten. Bij een andere voormalige soldaat van het Bataafse leger die in ’t Botgat is opgegraven hadden beide sleutelbenen een dergelijke groeve.
Individu 2 heeft een laterale uitbreiding en een kleine oppervlakkige verhevenheid aan de voorzijde van de rechterdijbeennek (antero-superior). Dit heet een Facet van Poirier.26 Het is niet waargenomen bij de hals van het linkerdijbeen. Hieruit kan worden opgemerkt dat het rechterheupgewricht meer belast is geweest ten opzichte van het linkerdijbeen. Met het rechterheupgewricht zijn frequent buig- en strek bewegingen gemaakt.

 Afbeelding 1 en 2. Skeletformulieren van de aangetroffen individuen. De in zwart aangegeven botten zijn aangetroffen, verzameld en onderzocht.

Bepaling van de leeftijd bij overlijden
Alleen van individu 2 kon de sterfteleeftijd worden bepaald; een jong volwassene die was overleden tussen 20-29 jaar. Deze conclusie is gebaseerd op het uiteinde van het sleutelbeen aan de kant van het borstbeen (sternum) dat nog niet geheel gefuseerd was. Bij mannen en vrouwen vindt de fusering van dit deel van het sleutelbeen tussen 20-29 jaar plaats.
Van individu 1 kan alleen worden vastgesteld dat het om een volwassene gaat, in ieder geval ouder dan twintig jaar gezien de al gefuseerde uiteinden van de sleutelbenen.

Reconstructie van de lichaamslengte
Van individu 1 zijn alleen de spaakbenen compleet. Het rechterspaakbeen meet 28,1 cm. Volgens de methodiek van Breitinger (1937) komt dit uit op: 2,968 x 28,1 +97,09= 180,5 cm. Met de gemiddelde lengte van het linker- en rechterspaakbeen (27,75 cm) komt de gereconstrueerde lichaamslengte volgens de berekeningsformule van Trotter en Gleser (1958) en Trotter (1970) uit op: 3,78 x 27,75+79,01=183,91 cm.
Van individu 2 zijn de dijbenen intact. Het rechterdijbeen meet 51,3 cm. Met de methode van Breitinger (1937) komt de lichaamslengte aan de hand van het rechterdijbeen uit op: 1,645 x 51,3 +94,31=178,7 cm.
Met de berekeningsformule van Trotter en Gleser (1958) en Trotter (1970) op basis van het gemiddelde van twee dijbenen (51,65 cm) komt de reconstructie van de lichaamslengte uit op: 2,38 x 51,7+61,41=184,34 cm.
Beide lichaamslengtes zijn hoog maar bij individu 1 dient rekening te worden gehouden dat het spaakbeen is gebruikt. De vraag is of beide mannen grenadiers zijn geweest die lang moesten zijn voor hun functie in het leger.

Afbeelding 3 en 4. Twee botfragmenten met een scherpe breuk. Mogelijk aangebracht tijdens trauma.

Conclusie

Tijdens het archeologisch onderzoek in een weiland gelegen tussen de Hondsbossche Slaperdijk en de Schoorlse Zeedijk in de gemeente Bergen (NH) in november 2017 zijn twee menselijke skeletten opgegraven in werkput 1. Op basis van het fysisch antropologisch onderzoek is vastgesteld dat behalve de twee individuen uit werkput 1, er minimaal drie individuen in de andere werkput lagen. Hiermee komt het minimum aantal individuen op vijf. Koperen knopen met het cijfer 42 tonen aan dat het om slachtoffers gaat die tijdens of kort na de Slag om de Zijpe, die op 10 september 1799 plaatsvond, zijn overleden. De ligging van de botten toonden aan dat de twee slachtoffers haastig gedeeltelijk over elkaar zijn neergelegd in een kuil.
De anatomische kenmerken van de bekkens van de skeletten uit werkput 1 geven overtuigend aan dat het twee mannen zijn. Alleen van het onderste individu uit de grafkuil was een bepaling van de leeftijd bij overlijden mogelijk.
De sterfteleeftijd is geschat tussen 20-29 jaar. Van de andere man kon enkel worden geconcludeerd dat het om een volwassene gaat die in ieder geval ouder was dan 20 jaar. Beide mannen waren erg lang, de gereconstrueerde lichaamslengten met de methodiek van Breitinger komen uit op 180,5 en 178,7 cm. Botafwijkingen die een bewijs opleveren voor de doodsoorzaak zijn ‘helaas’ niet aangetroffen. Wel zijn er aanwijzingen voor lichamelijke inspanning gezien de aanwezigheid van Noduli van Schmorl, een groeve in een sleutelbeen en een Poirier facet. Het gefragmenteerde linkerscheenbeen van individu 2 lijkt trauma sporen te hebben van een scherp voorwerp gezien de scherpe randen die gedeeltelijk dezelfde kleur hebben als het omringende bot.