Een karolingische vindplaats in Uitgeest
De opgraving binnen het afgeplagde terrein Uitgeest-Hendriksloot, waar we in 2014 een waaier aan proefsleuven hebben gegraven, blijft opmerkelijke vondsten opleveren. Het terrein dat eind 2013 werd afgeplagd in opdracht van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, was een aantal maanden een paradijs voor metaaldetectie.
Tijdens het veldonderzoek zijn tal van nederzettingssporen aangetroffen uit de late ijzertijd, Romeinse tijd, vroege en late middeleeuwen. De sporen en vondsten uit de late ijzertijd en vroeg-Romeinse tijd wijzen op een uitzonderlijke vindplaats op een logische en strategisch belangrijke locatie van een stuk land uitstekend tussen twee belangrijke waterwegen. De nederzetting was zelfs omheind getuige van meerdere greppels die de contouren volgt van de twee waterlopen (zie afbeelding 1). De mogelijk Keltische AVAVCIA munten gecombineerd met een Caesar-klop, worden door archeologen zeer specifiek in de vroege eerste eeuw geplaatst en in verband gebracht met vroeg Augusteiische legerkampen en de veldtocht van Germanicus tussen 14 en 16 na Christus. In deze periode werd ook het Romeinse havenfort bij Velsen opgebouwd. Jongere Romeinse munten wijzen ook op een 2e en 3e eeuwse nederzetting.
Ook voor latere periodes had de vindplaats een bijzondere betekenis. In de Karolingische periode was hier mogelijk al sprake van een aanlegplaats, getuige drie in die periode gedateerde beschoeiingspalen. Er zijn slechts enkele metaalvondsten gedaan uit deze periode zoals een mogelijke sceatta, maar ook een Engelse styca die samen met een bijzonder vogelfibula in de 9e eeuw dateert.
Uit de late middeleeuwen zijn meer sporen aangetroffen en gangbare vondsten zoals aardewerk. Aangezien het terrein is afgeplagd betreft het vooral diepere en daardoor bewaard gebleven sporen zoals greppels, sloten en kuilen. Enkele munten dateren uit de 13e eeuw, maar een viertal zilveren Engelse munten wijzen op een 15e eeuwse muntschat. Het proefsleuvenonderzoek wees uit dat in de noordoosthoek mogelijk meerdere erven hebben gelegen uit de 14e-15e eeuw en mogelijk nog uit de 16e en begin 17e eeuw. Dit was het noordelijke deel van de buurtschap Benes. Hier werden in een donkere sloot een groot aantal insignes gevonden van loodtin en een een uitzonderlijke loodtinnen ring met een bezweringsformule. Ook uit de 16e eeuw en begin 17e eeuw komen er nog belangrijke vondsten van het terrein zoals tinnen lepels, een tiende Philipsdaalder en een geuzenpenning.

Afbeelding 1. .Het onderzoeksgebied tussen de Koogdijk en de Hendriksloot. Dit deel van de Dije is een restant van de hoofdgeul van het Oer IJ. De Hendriksloot gaat terug op een iets jongere zijgeul. Beide waterlopen waren belangrijke verbindingsroutes tussen nederzettingen. Zo verbond de Hendriksloot de nederzettingen van de Castricummer Oosterbuurt waar onder ander Hilde woonde, naamgeefster aan “het huis van Hilde” , met de nederzettingen bij Uitgeest-Benes en Dorregeest. Benes is een middeleeuwse buurtschap waar diverse archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd.
Vogelfibula
Een van de opmerkelijkste vondsten was een zilveren vogelfibula, waarvan helaas maar een fragment is gevonden. Lange tijd is gezocht naar goed vergelijkbare exem plaren en kortgeleden zijn deze gevonden. De benaming ‘vogelfibula’ is enigszins misleidend, aangezien er vele typen fibulae aanspraak kunnen maken op deze naam. We kennen de vogelfibulae uit de Romeinse Tijd waarop een vogel met kop, staart en beide vleugels van bovenaf te zien is en varianten daarvan (Heeren & Van der Feijst 2017). Ook bekend, vooral uit Frankische grafvelden, zijn de fibulae (Heeren & Van der Feijst 2017) waarop een wat meer abstracte vogel te zien is, met een kop van opzij, een scherpe snavel en een markant oog, vaak ingelegd met halfedelsteen. Deze worden vaak geassocieerd met roofvogels of de raven van Odin. De datering hiervan is vooral 6de eeuws.
Hier gaat het om een fibula die een vogel voorstelt, die nog het meest op een duif lijkt. Het stuk is herkenbaar, omdat het lijf en de kop bewaard zijn gebleven. De staart en de poten en iets dat aan de bovenkant vastzat zijn afgebroken. Van de kop zijn de snavel en een oog te zien. Op het wat grote lijf zijn sierlijke krullen uitgesneden, die tot drie keer toe een S-vorm of de aanzet daarvan hebben. Uit XRF-onderzoek blijkt dat deze opengewerkte krullen waren ingelegd met goud (met dank aan de RCE, Bertil van Os).
Op de achterzijde is de aanzet te zien van de naald- en naaldhouder. Na enig zoeken kon in een artikel van Anne Pedersen met de titel (vertaald): ‘Roofvogels of duiven’ (Pedersen 2001) een parallel in Denemarken gevonden worden. In haar overzicht van vogelfibulae uit de Vroege Middeleeuwen bespreekt Pedersen een scala aan vogelfibulae, waarvan enkele qua basisvorm goed overeenkomen met het exemplaar van Uitgeest. Een van de varianten is een vogel met een kruis op de rug waarvan het verband met de vroege kerstening evident is. Hiervan zijn in Zuid-Scandinavië talloze voorbeelden gevonden, maar ook in Zuidoost Engeland.
De exemplaren van Toftegård, die de meeste gelijkenis vertonen met die van Uitgeest, worden daar juist als atypisch gezien. Pedersen behandelt ook enkele andere ‘continentale’ voorbeelden die ook tamelijk goed overeenkomen met het exemplaar uit Uitgeest. En het is vooral de context van deze voorbeelden en de datering die tot de ver beelding spreken. In Duitsland werd een zilveren vogelfibula gevonden in een vrouwen graf in de Dom van Osnabrück (Pedersen 2001) en een uit een vrouwengraf niet ver van de keizerlijke Palts in Paderborn. Deze twee fibulae worden aan het begin van de 9de eeuw gedateerd, net als een exemplaar dat is gevonden in de
kloostertuin van de kathedraal van Rouen in Normandië. We weten niet of de vogelfibula van Uitgeest, zoals de vele Scandinavische en Engelse, maar ook de Duitse en Franse voor beelden, een kruis heeft gedragen.
De versprei ding in Denemarken en Engeland en de 10de-11de-eeuwse datering lijken duidelijk samen te hangen met de verspreiding en vooral het uitdragen van het christelijk geloof. Dit proces heeft op het vasteland, zoals bij ons en in Duitsland, waarschijnlijk al eerder plaatsgevonden; in Noord-Duitsland vanaf de 9de eeuw. Door dit verband met de kerstening kan een vergelijkbare of zelfs vroegere 8ste-eeuwse datering voor het Uitgeester exemplaar aangenomen worden.
De verspreiding in Engeland van dergelijke fibulae lijkt eerder samen te hangen met de komst van de Denen. Mogelijk geldt dat ook voor de ‘Normandische’ exemplaren. De vondst en de datering van de vogelfibula binnen het onderzoeksgebied was nogal opmerkelijk, omdat er nagenoeg geen vroegmiddeleeuwse vondsten zijn gedaan.
Afbeelding 2 en 3. Links:Fragment van een dierfibula? Schaal 1:1.Midden: Vogel fibula uit Wijnaldum Tjitsma (V10792). Rechts: Reconstructie op grond van een vergelijkbaar exemplaar uit Toftegård. De vleugel ontbreekt en er zijn resten van goudinleg aangetroffen op de versiering.


Afbeelding 4 en 5. Boven: Aanleg proesleuven op het terrein en de locaties van metaalvondsten.
Afbeelding 6. Onder: .Ring of gespbroche met dubbele zesster. Loodtin. Datering 1375-1425. Diameter: ca 2,2 cmen een sterk versleten Angelsaksische Styca van aartsbisschop Wigmund (837-849). Afmeting 12, 37 mm. Gewicht: 0,76 gram. Loden netverzwaringen.
Overige vondsten
Behalve de fragmenten van de insignes komen uit de sporen ook nog loden spin steentjes, kleine gespen, een koperen gewichtje, lood strips en gesmede ijzeren nagels. Daarnaast aardewerk, veelal roodbakkend, steen goed en grijsbakkend aardewerk en dierlijk bot, maar ook stukken plavuis en klooster mop. Met name de aanwezigheid van klooster moppen is intrigerend. De dichtstbijzijnde plek waar kloostermoppen verzameld konden worden is het terrein bij Dorregeest aan de Geesterweg, waar in 1958 de laatste resten van een kapel of kerk werden vergraven (Halbertsma 1958). Hier heeft vermoedelijk de oudste kerk van Uitgeest gestaan. Deze plek werd verlaten in de 14de eeuw. Vanaf dat moment heeft het oude kerkgebouwtje ver moedelijk dienst gedaan als Foto © Hollandia St. Jacobsschelp, datering 1450 1500. steengroeve, zowel voor de kerk van Uitgeest, waar blokken tufsteen in de muur zitten, als mogelijk voor andere locaties, zoals Benes. Grote klooster moppen waren uitermate geschikt om te hergebruiken, ook wanneer hoofdzakelijk nog sprake was van houtbouw, bijvoorbeeld als haardplaat of als poer ter ondersteuning van dragende houten staanders. In diverse andere sleuven aan de noordzijde werd ook laatmiddeleeuws aardewerk gevonden, waaronder Pingsdorfaardewerk en protosteengoed. Opmerkelijk is een gebroken, maar archeologisch complete bolle pot met holle bodem van protosteengoed. Voor deze pot is nog geen parallel gevonden
Afbeelding 7. Thebalring van lood-tin. Verschillende aanzichten met aan de rechterzijde de juiste volgorde van de tekst.
Bezwering ring ontcijferd
Een zeer interessante vondst die was gedaan is een vingerring van lood-tin met een opvallende, maar onbegrijpelijke tekst. Er is destijds raad gevraagd bij archeologen en historici om opheldering te krijgen over die tekst, maar dat leverde vooralsnog niets op. Het kwartje viel, zoals gewoonlijk, toen er gezocht werd naar iets geheel anders en er toevallig in de literatuur een ring met vergelijkbare tekst werd gevonden, afkomstig uit een opgraving bij Geldermalsen-Stationslocatie (Van Renswoude 2015). Het ging om een vermoedelijk 12de-eeuwse bronzen vingerring met de tekst TC T/BL GU TG UT AN +
Deze tekst is een verbastering van Thebal gut gutan, een soort magische spreuk, afkomstig uit het Midden-Oosten, die de drager van de ring moest beschermen tegen ziekte. Vergelijkbare amuletringen zijn vooral bekend uit Slavische gebieden, maar ze hebben zich verspreid over heel Europa. De ring van Uitgeest-Hendriksloot heeft een opschrift dat eveneens een verbastering is van de basistekst en leest als volgt: THEB —–ALL U TA A.
Voor de eerste twee letters zijn de T en de H samengevoegd. De originele tekst was door herhaaldelijk kopiëren door ongeletterde stempel- en malsnijders al lang niet meer bekend. Ook de 12de-eeuwse bronzen ring van Geldermalsen toonde een verbastering van het origineel. De combinatie van deze letters is in beide gevallen wel duidelijk terug te voeren op de originele basistekst. De eerste vermelding van de tekst op de T hebalring staat in een 11de-eeuws manuscript, waarin de tekst een spreuk is tegen buikkrampen (Antoine 2005). In een manuscript uit het bisdom Glasgow (Registrum Vetus Episcopatus Glasguensis) van rond 1200 worden meerdere spreuken genoemd tegen ziektes, maar deze zouden alleen helpen als ze op een gouden ring gegraveerd zouden zijn. Tegen kramp en stuiptrekkingen (epilepsie) moest men een gouden ring dragen met de tekst: Thebal Guth Guthani. De tekst wordt door de anonieme auteur vertaald als: T he= theos=god, bal = princeps = vorst, Guth= conditor, Guthani=conditorum.
Met deze spreuk – over de oorsprong wordt nog gediscussieerd – wordt God aangeroepen voor een gunstig lot, God die op Zijn beurt bescherming biedt aan de ringdrager. Maar deze betekenis blijkt in de 14de eeuw te zijn veranderd doordat men Guth associeert met het Latijnse ‘gutta’ dat weer ‘gout’ is in het Engels en vooral betrekking heeft op jicht en epilepsie (Antoine 2005). Dit ‘gutta’ staat voor een reeks van ziektes en aandoeningen. Er was in de Middeleeuwen geen grotere angst dan voor de plotselinge dood of voor epilepsie. Als je hieraan zou sterven zou je zeker in de hel belanden. Een beschermende ring was dan ook een groot goed. Aanvankelijk waren dergelijke ringen van goud en in het bezit van de zeer hoge adel, zoals Bisschop Ulgerius van Angers (1125-1148) en keizer Lotharius III (10751137). In de 13de eeuw hebben met name kruisvaarders zegelringen met eigen initialen en met bezweringsformules. Nog in de 15de eeuw zijn dergelijke ringen gedragen, maar dan niet meer van edelmetaal en ook niet meer versierd met kostbare stenen. De loodtin variant van een Thebalring van Uitgeest lijkt het eindpunt van de vulgarisatie van dergelijke amuletringen. Ook gewone mensen wilden graag beschermd worden tegen enge ziektes en voorkomen dat ze zouden eindigen in de hel.